Het Europese pensioenlandschap is een bont lappendeken van allerlei pensioenstelsels. Die zijn het resultaat van specifieke historische ontwikkelingen en tradities en volgen verschillende wegen.

Er is een tijd geweest, nog niet eens zo lang geleden, waarin liefdadigheid een algemene christelijke plicht was en welgestelden met aalmoezen hun hemel verdienden. Omdat de overheid geen initiatieven nam, stichtten de arbeiders en arbeidsters zelf maatschappijen voor wederzijdse bijstand om zich te verzekeren voor gezondheidskosten en tegen inkomensderving bij werkloosheid of ziekte. Zo ontstonden de eerste ziekenfondsen en bijstandskassen: wie rond 1900 wekelijks aan zo’n kas een vaste bijdrage van een kwartje per week betaalde, kreeg bij ziekte of ongeval 1 frank per dag.

In Duitsland had de “ijzeren” kanselier Otto von Bismarck ondertussen begrepen dat sociale voorzieningen opzetten de enige manier was om de opgang van de arbeidersbeweging en arbeidersopstanden de pas af te snijden. Hij voerde een bescheiden sociale bescherming in: een met verplichte bijdragen betaalde verzekering tegen ziekte, werkloosheid en armoede op de oude dag. De bijdragen werden zowel door de fabrieksbazen als door de arbeiders als deel van het arbeidsinkomen betaald. Ze waren in feite een uitgesteld loon: een deel van het loon werd opgespaard om een uitkering te krijgen bij inactiviteit. Men noemde dat werkgevers- en werknemersbijdragen, om het medebeheer van de werkgevers te kunnen verantwoorden. Deze onderlinge bijstandskassen werden in tijden van sociale conflict immers ook gebruikt als stakerskas, wat de patroons zeer ongerust stemde.

In België bleven de liberale en katholieke regeringen intussen bij de opvatting dat de armoede een individueel probleem was. Ze richtten een Algemene Spaar- en Lijfrentekas op, een ASLKvoor “de sparende kleine man” waarop die geacht werd uit eigen wil te sparen voor zijn oude dag. Maar “velen spaarden niet omdat ze te arm waren, en waren arm bij pensioen, ziekte of werkloosheid omdat ze niet genoeg spaarden.”[i]

Of zoals Louis Paul Boon schrijft: “Hoezo sparen? Ze verdienen amper anderhalve frank per dag en kunnen zich hiermee alleen met een homp brood en wat aardappelen in zuursaus voeden.”

Zo bleef het tot Europa met de Eerste Wereldoorlog in een groot slachthuis veranderde. Er was alleen een openbare onderstand: kon je bewijzen dat je niks meer had, dan kreeg je een uitkering die te klein was om van te leven en te groot om van te sterven.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een recht in plaats van een lot

De Grote Oorlog bracht een heel woelig politiek klimaat met zich mee. De socialisten kregen meer aanhang met de dag. De Belgische bewindvoerders deden, zeer tegen hun zin, een aantal politieke en sociale toegevingen. Het was toegeven of alles verliezen, zo vreesden ze. Eindelijk kwam het algemeen enkelvoudig stemrecht er. En de achturendag. Sociale zekerheid en vooral het pensioen werden verkiezingsthema’s en in 1924 kwam er een eerste prille pensioenwet.

Twintig jaar later legde de nieuwe wereldbrand het grote sociale probleem weer helemaal bloot. Op alle continenten hadden gewone jongens en meisjes zich gemobiliseerd en samen het onmogelijke waargemaakt: ze hadden het fascisme verslagen. Dat was zonder weerga. Als samenwerking zulke wonderen kon verrichten, dan konden we onszelf toch ook grote maatschappelijke doelstellingen opleggen en de vervloeking die op het land drukte en ons naar crisis, fascisme en oorlog had gebracht, opheffen? Gedaan met de onbarmhartige armenwetten, de caritatieve overlevingsstelsels en de opvatting dat werkloosheid het gevolg zou zijn van een slechte inborst.

De droom van universele sociale voorzieningen kreeg in die jaren vorm. Toegegeven, dat kostte nog heel wat strijd, maar de Verenigde Naties legden in 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens vast. Elke mens heeft basisrechten. Niemand mag uit de boot vallen. Een onrecht aan één iemand is een onrecht aan ons allen. De samenleving als werkwoord.

Dat iemands lot afhangt van de goede wil en de barmhartigheid van de schenker, moest verleden tijd worden. Dat werd in de Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 25 neergeschreven als volgt: “Een ieder heeft het recht op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, (…) alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.”

Die sociale zekerheid – met haar pensioenen, werkloosheidsuitkeringen, gezinsbijslagen, jaarlijkse vakantie, gezondheidszorg en bescherming in geval van beroepsziekte of arbeidsongeval – is een demonstratie van de vooruitgang van de beschaving vergeleken met de eeuw voordien. Ze is het kind van de arbeidersbeweging. Ze is er gekomen niet dankzij maar ondanks het kapitalisme. Ze hangt niet af van welwillende weldoeners. Ze is een stelsel van rechten, geen stelsel op basis van liefdadigheid. Ze is een stelsel op basis van de solidariteit: tussen mensen met en zonder werk, tussen jong en oud, tussen gezonden en zieken, tussen gezinnen met en zonder kinderen.

In Duitsland ontwikkelde de vroegere ouderdomsverzekering van Bismarck zich na de oorlog van een bescheiden appeltje voor de dorst tot een heuse loonvervanger. Het doel ervan? De bereikte levensstandaard na pensionering behouden. Ook in Oostenrijk, Frankrijk, Italië en België installeerde zich dat model, niet toevallig landen met een sterke socialistische traditie.

Principieel gingen deze landen ervan uit dat de kosten van levensonderhoud in de ouderdom door de pensioenuitkering gedekt moeten zijn. Bijkomend pensioensparen – in de vorm van bedrijfspensioenen of privé pensioensparen – kwam er daar dan ook lange tijd niet aan te pas. Er bestond maar één pensioenpijler: het verplichte wettelijke pensioen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De liberale versus de sociale visie

In andere landen ontwikkelde zich een liberaal alternatief voor dat solidaire model. In de oorlogsjaren kreeg sirWilliam Beveridge, een lid van het Lagerhuis, de opdracht een globaal plan voor de Britse sociale voorzieningen uit te werken. Dat plan moest een blauwdruk van volksverzekeringen worden die in de naoorlogse jaren van wederopbouw het licht moesten zien.

Beveridge was een vurige liberaal. Hij beschouwde luiheid en nutteloosheid als grote vijanden van de armoede. Zijn globaal plan ging dan ook uit van een samenleving met een vrijwel volledige tewerkstelling. Hij stelde voor dat iedereen in de actieve leeftijd een contributie voor een nationale verzekering zou betalen waarmee alle burgers dezelfde minimale bescherming zouden krijgen. Voor Beveridge moest dat systeem garant staan voor een bescheiden levenspeil “below which no one should be allowed to fall”. Het was een plan voor een universele basisbescherming tegen armoede, geen loonvervanger zoals het model bij ons of in Frankrijk en Oostenrijk.

Onder andere Nederland, Ierland, en de Verenigde Staten namen dat liberale alternatief van Engeland over.

SirBeveridge knoopte historisch aan bij de vroegere armenzorg. Zijn basisbekommernis was het armoederisico in de ouderdom, wanneer het inkomen uit arbeid wegvalt, aanpakken. Alle leden van een samenleving die een bepaalde leeftijdsgrens bereiken, hebben recht op een basisbescherming, ongeacht wat ze tijdens hun loopbaan verdiend hebben, zo klinkt het bij de Beveridge-aanhang vandaag nog. De tegenstanders antwoorden: jullie basispensioen is alleen maar een veredelde openbare onderstand die ervoor moet zorgen dat de ouderen niet omkomen van honger. Waarop de Beveridge-aanhang beweert “ruimte te laten” voor de middenklassen om hun pensioen aan te vullen met privéspaarrekeningen.

De Verenigde Staten zijn een evident voorbeeld van het Beveridge-model. De social securityis er het kleine basispensioen. De overheid port er iedereen aan zelf te sparen om te vermijden als oudere in een veel lagere levensstandaard of armoede te tuimelen. Maar dat is een begoocheling.

Want intussen bouwen de bedrijven hun engagement voor bedrijfspensioenen stelselmatig af. In 1985 verzekerde de Pension Benefit Guaranty Corporation nog 112.000 bedrijfspensioenen. Vijfentwintig jaar later is dat aantal geslonken tot minder dan 28.000.[ii]De werknemers staan er alleen voor.

Massaal veel gespaard pensioengeld, 2.700 miljard dollar, ging bij de financiële crisis in 2008 in rook op, dat was 31 procent van alle Amerikaans pensioenspaargeld.[iii]“Risico’s” is het sleutelwoord daar, en niet “rechten”. Risico’s in plaats van rechten: al in het woordgebruik klinkt het maatschappijdebat.

Slotsom: miljoenen Amerikanen gaan met pensioen met niets op de bank. Volgens het Economic Policy Institute is het nagenoeg hele bedrag van de privé pensioenspaargelden in handen van de twintig procent rijksten.

Groen en het basispensioen

Ook wij glijden op een hellend vlak naar beneden. De wettelijke pensioenpijler lijkt stilaan louter een middel te worden om armoede te bestrijden. Dat is ook belangrijk, maar onze sociale zekerheid is in de eerste plaats een verzekering om de levensstandaard op peil te houden. Ze vervangt ons inkomen uit arbeid. Wij betalen bijdragen op dat inkomen. Wij dienen uitkeringen te krijgen in verhouding tot dat inkomen. Geen minimale bescherming tegen armoede. Maar wat zien we vandaag? Alleen de laagste uitkeringen en pensioenen worden een klein beetje opgetrokken. De gemiddelde en hogere pensioenen en maxima stagneren. Mensen merken dat ze almaar minder terugkrijgen voor wat ze bijdragen. Dat ondergraaft het vertrouwen in het hele stelsel. De wettelijke pensioenen worden omgebouwd tot een minimale bescherming tegen armoede. Voor een fatsoenlijk inkomen na een leven van intense arbeid, moeten we hoe langer hoe meer beroep doen op de private spaaractiviteit.

Alsof die evolutie haar maar weinig gelegen laat, draait het pensioendiscours van de partij Groen al jarenlang helemaal rond “een basispensioen voor iedereen, als een buffer tegen armoede bij ouderen”, met daarnaast “een werkbonus, bovenop het basispensioen”.

De partij plakt op haar basispensioen het getal van “1.000 euro voor iedereen, ongeacht de loopbaan.”[iv]Dan zitten we zowat op het niveau van de Amerikaanse social security, of op het niveau van de Garantierente,het voorstel van de Duitse Groenen voor een basispensioen van 930 euro na een loopbaan van dertig jaar.

In al zijn eenvoud biedt het voorstel van Groen geen oplossing voor al de uitdagingen waar het pensioenstelsel voor staat. Het is tekenend dat de partij de meerkosten van haar basispensioen wil “compenseren” door “een beperking van de gelijkgestelde periodes” en door “allerlei afgeleide pensioenen af te bouwen”. Daarbij komt ook het ambtenarenpensioen in het vizier.[v]Of zoals Wouter Van Besien het zei op het Impulscongres van Groen: “Het basispensioen is betaalbaar als we ziften  in de vele bestaande stelsels.”[vi]Groen is hier in hetzelfde bedje ziek als veel pensioenmaatregelen van de regering: bij sommige werknemers weghalen en dat geven aan anderen. Downsizennoemen ze dat.

Wie in de pensioenkwestie alleen focust op een minimumpensioen zonder iets te zeggen over het gehele pensioenstelsel, blijft in ideologisch opzicht vanuit een liberale logica redeneren. Voor liberalen dient de sociale zekerheid zich te beperken tot het bestrijden van de schrilste armoede.Maar voor de sociale beweging is de rol van de sociale zekerheid veel groter: de bescherming van de levensstandaard, bijv. 75 procent van het loon met een minimum van 1.500 en een maximum van 2.500 euro.

Vandaag ziet Groen het wettelijk pensioen alleen nog als een minimumpensioen, dat moet aangevuld worden met een privépensioen, ten minste voor wie dat kan betalen. Zij nemen het liberale vertrekpunt over: het “overheidsbeslag” van 52,5 procent moet naar omlaag. Dat kan alleen maar leiden tot een verdere ontmanteling en privatisering van de publieke dienstverlening: het openbaar vervoer, het onderwijs, de watervoorziening, de huisvuilophaling, het gevangeniswezen… Het cijfer van 52,5 procent is bovendien erg bedrieglijk. Heel onze sociale zekerheid – beheerd door de sociale partners – wordt zomaar bij het “overheidsbeslag” gerekend. De sociale zekerheid bedraagt 26 procent van ons bbp. Neem dat weg en ons “overheidsbeslag” is nog exact de helft. De Verenigde Staten hebben dat geprobeerd met hun ziekteverzekering. Die werd volledig geprivatiseerd. Resultaat: de Amerikanen betalen vandaag bijna twee keer zoveel – 14 procent van het bbp in de United Statestegenover 8 procent in België – voor een veel slechtere dienstverlening. Maar verzekeraars en privé hospitalen worden er schatrijk mee.

Naar een breed, eengemaakt pensioenstelsel

De centrale vraag is: het ieder-zorgt-voor-zichzelf stimuleren of de solidariteit organiseren?

De wet van 10 mei 1900 was de eerste om een beetje sociale bescherming te bieden aan wie door de ouderdom niet meer kon werken. Wilde je een ouderdomsspaarpotje, dan moest je er zelf maar voor sparen. Daarbij kon je voor wat ondersteuning bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas van de overheid terecht. Wie zijn spaarcenten in een private pensioenkas plaatste, genoot een beetje meer overheidssubsidie. Ieder moest zich op een individuele manier ontdoen van de materiële onzekerheid door middel van spaarzaamheid, zo redeneerde het beleid toen nog. Dat ieder-voor-zich systeem werd een flop. Het aantal spaarders viel al snel stil. Het was duidelijk dat het anders moest, wilde men van de bestrijding van de ouderdomsarmoede echt een prioriteit maken.

De eerste wet op de arbeiderspensioenen kwam er in de woelige jaren na de Eerste Wereldoorlog, in december 1924. Die wet had, zoals de naam zegt, alleen betrekking op de arbeiders. Verschillende pensioenregimes werden toegewezen aan bepaalde sociale categorieën: mijnwerkers, zeelieden enzovoort. De bedienden werden dan nog eens anders behandeld dan de “massa” van de handarbeiders. Zij kregen als bovenlaag een afzonderlijk wettelijk kader van pensioenverzekering: de wet van 10 maart 1925. Hun pensioen lag aanmerkelijk hoger dan bij de arbeiders.

De opdeling in beroepsgroepen was niet van aard om voor een benijdenswaardige stabiliteit te zorgen. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was de kwestie van de pensioenen dan ook nog lang niet opgelost.

Met het Sociaal Pact kwam na de oorlog een volwaardige sociale zekerheid tot stand. De stappen vooruit waren: de algemene verplichting voor iedereen en de integratie in één regeling. Het was de overgang van sociale verzekeringen naar sociale zekerheid. De officiële titel van het Sociaal Pact, “Het voorstel van akkoord van sociale solidariteit”, geeft die inzet aan: de solidariteit concreet en wettelijk gestalte geven.

Van belang daarbij was dat de staat mee een verantwoordelijkheid kreeg in het organiseren van die solidariteit. Elk privaat initiatief is een keuzevrijheid meer, zo klinkt het in het liberale paradijs. De “beste tarieven” vliegen je dan als gebraden kiekens in de mond: voor energie, voor poststukken, voor private ziekteverzekering, voor pensioensparen… Het ik-rendement van de hoogste individuele vrije keuze op de markt? Nee dus.

De Franse sociologieprofessor Colette Bec beschrijft hoe de wettelijke solidariteit van de sociale zekerheid een voorwaarde is om alle leden van de samenleving toe te laten van hun vrijheid gebruik te maken.[vii]Via marktwerking kan je geen vrijheid voor alle maatschappelijke groepen realiseren. Daarvoor is solidariteit noodzakelijk. En om universeel te zijn, dient de solidariteit mee door de overheid gedragen te worden. De sociale zekerheid was de optie voor een globale bescherming. Ze moest de sokkel worden om te sleutelen aan collectieve keuzes voor het gemeenschappelijke levenslot en voor een rechtvaardige samenleving. Dat was iets helemaal anders dan de beperkte sociale verzekeringen voorheen.

Toch zijn deels aparte stelsels voor ambtenaren, werknemers en zelfstandigen blijven voortleven. Hier vormt Oostenrijk een interessant voorbeeld. Daar is een langlopend proces op gang getrokken om alle actieven in één enkel globaal stelsel samen te brengen en zo de sokkel van de solidariteit te versterken, met naast de werknemers van de privésector ook het overheidspersoneel, de zelfstandigen en de vrije beroepen. Met dezelfde rechten voor iedereen. De hoogte van de pensioenbedragen blijft verschillen, afhankelijk van de beroepsinkomsten. Maar zowel de hogere als de lagere inkomens genieten van het stelsel: minimum 1.500 en maximum 2.500 euro. Het opzet is: een sociale bescherming van het hoogste niveau. De uitkeringen moeten immers voldoen aan de hogere verwachtingen van de middenklasse om zo de steun van deze groep voor het stelsel te kunnen behouden.

Het is een proces waar Oostenrijk een halve eeuw voor neemt, om de sociale zekerheid nog ambitieuzer uit te bouwen. Een weg die zeker nog onder het vuur zal komen te liggen van de nieuwe rechtse regering in Oostenrijk. Het zal veel maatschappelijk verzet vergen de goede richting aan te houden.

[i]Jef Maes, Uw sociale zekerheid in gevaar, EPO Berchem, 2010, p.13.

[ii]Ilana Boivie, Who killed the Private Sector DB Plan, National Institute on Retirement Security, maart 2011, p. 3-4.

[iii]Barbara A. Butrica, Retirement Account Balances april 2012, Accumulations in Retirement Accounts 2007-2012, Urban Institute, Fact sheet on Retirement Policy.

[iv]Groen, Impulscongres, 19-20 oktober 2013.

[v]Wouter De Vriendt, ‘Groen wil fundamentele hervorming van de pensioenen: Basispensioen werkt 22% armoede bij ouderen weg’, tekst van het Impulscongres 2013p. 2.

[vi]Groen, Impuls – Socio-economisch congres, Brugge, 19 en 20 oktober 2013.

[vii]Colette Bec, La sécurité sociale, une institution de la démocratie, Gallimard, Parijs, 2014, 336 p.

K. De Witte
februari 2019