“Een God voor alle mensen of alle mensen hun God?” 

Cultuur- en godsdienstfilosofische beschouwingen n.a.v. de Virga Jesse-feesten 

Het Virga Jesse -gebeuren in Hasselt presenteert zichzelf uitdrukkelijk als een religieus-christelijk evenement. De bijbelse figuur van Maria staat centraal van wie christenen in hun credo belijden dat ze Moeder Gods is, moeder van de Christus, de Messias, die in het profetenboek Jesaja “de twijg uit de stronk van Jesse” wordt genoemd. Komt hier dit jaar in deze zoveelste historische editie een bijzonder pastoraal motief bij. De Virga Jesse wordt als “bron van hoop” voorgehouden, bedoeld als impuls tot religieuze verinnerlijking voor pelgrims en religieuze verkondiging voor tijdgenoten moesten dezen al überhaupt in de religie een motief en grondslag zoeken om te hopen. Het is heel bepaald op deze laatste clausule dat mijn reflectie wil aansluiten en wel in een breed principieel perspectief.

Het zal twijfelloos zo zijn dat ter gelegenheid van dit zevenjaarlijks evenement in een waaier van initiatieven – het ene al meer of minder religieus dan het andere – een indrukwekkende intensiteit van energie geïnvesteerd wordt, individueel en collectief. Even indrukwekkend zijn ook de aantallen medewerkers, vrijwilligers, deelnemers, bezoekers, geëngageerde pelgrims en vrijblijvende toeristen, alle aangetrokken door een in wezen en in oorsprong bijbels-religieus event.

Mijn reflectie focust op een onderliggende waarheidsvraag, d.i. op de mogelijkheidsvoorwaarden van zinservaring en existentiële relevantie die er – eventueel – te beleven vallen in soortgelijke of meer bescheiden religieuze manifestaties in aanmerking nemend dat deze laatste plaatsvinden binnen een cultuurcontext die even manifest zich van haar religieuze onderbouw distantieert.

embleem 1975

Een gigantische paradox 

Laat ons de volgende gigantische paradox van onze tijd eens op onbevangen wijze doordenken: aan de ene kant met veel energie religiositeit manifesteren in publieke opvoeringen van bijvoorbeeld mariale devotie en hiertoe massaal aangetrokken te zijn, zelfs in het beste geval er de eigen schoonheid van te genieten, en aan de andere kant zich in het volst contrasterende besef te bevinden van in een cultuurwerkelijkheid te leven die getekend wordt door een voortschrijdende en holistisch om zich heengrijpende moderniteit die secularisering genereert met ontkerkelijking als sociologisch gevolg van neo-liberalisme. Een cultuurtendens zet zich door welke in de grond de neutralisering bewerkt van het religieuze, a fortiori kerkelijke potentieel inzake transcendente zinduiding en dito moralisering van menselijk bestaan.

Deze gigantische paradox die ons geestesleven tekent, is naar zijn aard zeer specifiek. Het is niet de paradox die huist in een collectieve hypocriete dubbelzinnigheid die ons zou doen instemmen met het een (positieve religiositeit) en tegelijk even openlijk sympathiseren met het tegengestelde ander (secularisme). Evenmin kan men deze paradox herleiden tot een zekere nostalgische labiele hechting aan een overleefd verschijnsel uit een voorbije religieuze cultuur-traditie die men maar moeilijk kan loslaten ofschoon feitelijk een post-religieus secularisme het oude wereldbeeld al lang en ten gronde heeft onttoverd. Noch van hypocriete of nostalgische aard lijkt me de paradox geheel objectief een gegeven historische geestessituatie te tekenen waarin even objectief de parameters van een crisis tot uitdrukking komen. De paradox tekent een kritieke situatie welke – zoals in elke crisis het geval is – tot stand gekomen is doordat een bres geslagen werd in het homogene levens- en wereldbeeld dat uit de kerkelijk-religieuze traditie vastheid en vertrouwen bood.

De provocatie van een crisis: “God is dood” 

Opzettelijk gebruik ik de uitdrukking “een bres geslagen” om de provocatie van een crisis aan te wijzen. We zijn in religieuze zaken immers nog maar amper bekomen van de mokerslag welke “de filosoof met de hamer”, Friedrich Nietzsche, heeft toegebracht aan het homogene cultuurgeheel dat door kerkelijk-geformatteerde religie werd gedomineerd. Nietzsche die naast Freud en Marx “meester van het wantrouwen” wordt genoemd, heeft met zijn treurmare slagzin “God is dood” een gigantische geestescrisis niet ontketend maar profetisch, helderziend en pathetisch verwoord. Wat heeft Nietzsche precies verwoord? Hoe de slagzin “God is dood” interpreteren? Als een “genade”-slag die een crisis inluidt welke alle zinsgehelen (de “grote verhalen”) tegelijk genadeloos als leugen ontmaskert maar toch desalniettemin zinvol, creatief en gunstig voor vernieuwing kan zijn?

Nietzsche heeft diagnostisch in het grondweefsel van de waarden van de westerse cultuur een kritieke situatie in beeld gebracht. Hij deed dit door in haar volste draagwijdte de zin-crisis te onderkennen waarin in het Westen de christelijke religie verkeert, in het bijzonder het christendom in zijn kerkelijk-dogmatische-politieke gestalte. Epicentrum van deze zin-crisis is de aan diggelen geslagen rol, voor het denken én voor het handelen, van God. Wanneer Nietzsche het over de “dood van God” heeft, bedoelt hij – heel betekenisvol – moord, of beter nog een te voltrekken terechtstelling. “Wij hebben hem gedood – jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars” schreeuwt “de dolle mens” (uit: De vrolijke Wetenschap § 125, vertaald door Pé Hawinkels, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 1979, p. 130), Nietzsche zelf in de rol van openbare aanklager. Het effect van de moord op God is dramatisch: “Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? (…) Ademt ons niet de lege ruimte in het gezicht? Is niet voortdurend de nacht en steeds meer nacht in aantocht?” (ibid.) In deze dramatiserende beeldspraak zit één enkele boodschap: “Het heiligste en machtigste, wat de wereld tot dusver bezeten heeft, is onder onze messen verbloed.” (ibid.) Het motief en de provocatie tot deze moord op God wordt gelegd in de – voor Nietzsche ‘gezonde’ – machtswil van de moderne mens. Uit Heidegger’s bezinning “Nietzsches Wort “Gott ist tot” ( in Holzwege, Vittorio Klosterman, Frankfurt am Main, 1950, 193-247) leren we in deze zin het historische motief tot de moord op God beter verstaan. Nietzsche’s motief tot nihilistische ontkenning van elke bovenzinnelijke determinerende waarde (waaronder bij uitnemendheid de God van het kerkelijke christendom) is volgens Heidegger “de opstand van de moderne mens die onvoorwaardelijk meesterschap [huldigt] van de subjectiviteit in haar onderwerping van de ganse werkelijkheid.” (p. 207, eigen vertaling). Door de ‘moderne’ moord op God komt volgens Nietzsche een alle transcendente waarden omwaarderend principe tot gelding dat vitalistische nieuwe idealen huldigt van binnen-wereldlijk geluk, Wagneriaanse muziek en prometheïsche creativiteit in de kunsten.

embleem 2010 b

 

Het kerkelijke christendom onder de hamer 

Een verdere uitdieping van Nietzsche’s visie op nihilisme, machtswil, Übermensch, gezond en ziek, waarheid en leugen etc. is niet nodig om het besef te bevestigen dat zijn slagwoord “God is dood” zijn shock-effect op het levensaanvoelen van de cultuurmens van vandaag niet gemist heeft. Hij heeft als een seismograaf vastgesteld dat kunst, staat, religie, wetenschap, samenleving ambigue centra zijn van gezonde (vitalistische) én ziekmakende machtswil. Bovenal het geïnstitutionaliseerde en gedogmatiseerde en bovenal moraliserende christendom had hij in het vizier. De determinerende autoriteit ervan, de universaliteit van diens waarheidsaanspraak over alle levensdomeinen en de boven-wereldse rechtvaardiging van al zijn claims werden door Nietzsche op slag verwezen naar het Niets van de leugen zoals die heerst in een slavenhuis. De God uit zulk een christendoms-verhaal heeft hij dood verklaard als de apotheose van een historisch moordverhaal.

De echte apotheose laat evenwel in haar meest complete gedaante (“vollständige Nihilismus”) nog op zich wachten. We leven vooralsnog in een “unvollständige Nihilismus” in zoverre de moderne mens hardnekkig restanten koestert uit een voorbije tijd van transcendente en religieus gelegitimeerde ideeën en waarden. Wat Nietzsche dienaangaande (in De Vrolijke Wetenschap § 108) over Boeddha beweert, geldt voor hem even zozeer voor de God van het christendom: “Toen Boeddha dood was, vertoonde men nog eeuwenlang zijn schaduw in een grot – een enorme, huiveringwekkende schaduw. God is dood: maar zoals de menselijke aard nu eenmaal is, zullen er wellicht nog millennia lang grotten bestaan, waarin men zijn schaduw vertoont.” (id. p. 119) Wellicht zou Nietzsche in deze zin de vertoning van religieuze feesten, anno 2017, als een schaduw-vertoning bestempelen in de platoons-aandoende grot van een kerkelijk instituut dat zich hardnekkig tevergeefs blijft verweren tegen god-loze moderniteit.

Waarschuwing tot onkritische lectuur 

De pathetische kracht van de retoriek waarin Nietzsche zijn verhaal over “de dood van God” heeft gebracht, schept het risico tot onkritische instemming zoals inderdaad gebeurt (en helaas bedoeld wordt) in elke ideologie. Zo is Nietzsche effectief de ideoloog geworden van het nazisme en eugenetische Übermensch ideologie. Ook werd hij voor de kar gespannen van virulente atheïsten die uit haat of ressentiment hun agressie ononderscheiden richt(t)en op God, geloof, christendom en kerk, hierin anti-emancipatorische reactieve krachten projecterend. Ook minder bevooroordeelde intellectuelen hebben hun christelijk geloof onverhoeds laten ondermijnen door een onkritische Nietzsche-lectuur.

Een geheel nieuwe aanvang van denken naar God toe 

Zou er over God vandaag geen ander verhaal te vertellen zijn – een ervaringsverhaal? – dan hetwelk gedomineerd wordt door hetgeen Nietzsche in zijn nihilisme ontmaskert en op de korrel neemt? Nietzsche’s ontmaskering had het christendom in het vizier in zijn meest arrogante kerkelijke-dogmatische-politieke gestalte. Dat deze gestalte qua autoriteit, universaliteit en rechtvaardiging de geesten van moderne mensen vandaag niet meer imponeert, is – op zijn zachtst uitgedrukt – te merken aan alle verschijnselen van secularisme. Een verhaal over God voor kritische cultuurmensen vandaag kan zijn aanvang en geloofwaardigheid (her)vinden in heel andere bewustzijnservaringen dan die welke Nietzsche thuiswijst in een slavenhuis. Hedendaagse (vooral Franse fenomenologische) godsdienstfilosofie legt op existentiële ervaringsbasis bewustzijnsinhouden bloot die gekwalificeerd zijn om een verhaal over God, de Levende, aan te vangen. In plaats van het top-down determinerende spreken dat zich met waarheids-bezittende eigenzinnigheid decoreert, komt er het bottom up reflexieve interpreterende na-denken dat zich waarheid-speurend asymptotisch afstemt op een mysterie-volle Aanwezigheid die God te noemen is. In plaats van het universele en het platoons-begrippelijke dat in de metafysica door de abstracte wetten van een opstijgende logica is aangebracht, komt er het particuliere en het ervarings-matige dat in alle concreetheid de inwoning erkent van transcendentie. In plaats van zichzelf-rechtvaardigende autoriteit die zich auto-defensief afschermt van alle nieuwheid, komt de autoriteit tot gelding van een originele zichzelf-gevende zin en betekenis die tot mij komt en voor de zin-duiding van mijn bestaan uit zichzelf pertinent relevant blijkt . In het filosofisch jargon wordt dit alles samenvattend het “evenementiële” genoemd: er “gebeurt” in mijn bewustzijn evenzoveel omvorming als er geheel oorspronkelijk aan mijn bewustzijn van buiten af inwerkend “gebeurt”. Uit het discontinue en meermaals dramatisch verstoorde verloop van dit bewustzijns-”gebeuren” – dat beleefd wordt als polyvalente zin-receptie – kan een homogeniteit oplichten die asymptotisch uitstaat naar de limiet-idee van God: een zich-gevende, een zijns-gevende, een zin-gevende oorsprong van “donation”. Tesamen met événement is donation een sleutel-begrippenpaar in de hedendaagse franse denkstelsels van J.L. Marion, J. Benoist, M. Henry, J.L. Chrétien, J.Fr. Marquet.

Illustratieve “gebeurtenissen” 

Een zestal illustraties kan iets van de mysterievolle aard van zulke donation die zich als gebeurtenis aan mijn bewustzijn voltrekt, verduidelijken. Het kleine licht dat mijn verstand opvangt bij elk waarheidsonderzoek in natuur- of menswetenschappen; “les petites bontés” (Levinas) die mijn basisverlangen naar erkenning door de ander tegemoet komen; de verkwikkingen die in het verwijlen bij het schone dat gegeven is in natuur of kunst mijn lustgevoel animeren; het sereen getuigenis van een medemens die me laat proeven van het bevrijdende effect van zijn bekering (van Augustinus in de vierde eeuw tot Chesterton in de twintigste); een sereen poëten-woord dat met evocatieve kracht mijn hart bereikt en het omvormt wanneer het ernaar luistert als naar een stem die mij toespreekt; de genegenheid ondervinden van een medemens die uit menselijkheid en met diep respect me in de nood verzorgt, “dat is eveneens in de beleving van die genegenheid, een mysterie erkennen dat verder reikt dan de wereld” (Vergote, id., p. 195) : het zijn evenzoveel “gebeurtenissen” die mijn bestaansbewustzijn in contemplatieve aandacht virtueel openen naar een gevende horizon toe die mijn ik-zijn constitueert. In de werkingsmodus van reflectie herkent mijn bewustzijn tegen deze horizon een homogeen geheel van zin die distributief in al deze “gebeurtenissen” tot mij komt. In de bijbels-joods-christelijke geloofstraditie krijgt deze horizon een concrete naam: de naam die niet door een kerkelijk-dogmatische autoriteit van bovenaf wordt opgelegd maar zichzelf al gevend historisch openbaar maakt en alzo ook ondervonden is geworden: “Ik ben: Die Is”, Jahweh, God.

 

embleem

 

Een cruciale opwerping: “alle mensen hun God”, welke God? 

Leidt deze weg die via disparate gebeurtenissen van bewustzijnservaring God in zicht brengt, niet regelrecht tot de conclusie “alle mensen hun God”, zoals in het opschrift van de voorgelegde discussie-tekst wordt geponeerd ? We moeten deze cruciale opwerping genuanceerd onderzoeken.

Er is alvast één aspect van waarheid verbonden aan het “alle mensen hun God.” Ik steun me hiervoor op het eenvoudige inzicht dat we het subjectieve aspect, het persoonlijke dat de particulariteit van elke menselijke verhouding – ook de relatie tot God – tekent, hebben te onderscheiden van het objectieve, het redelijke aspect dat basis van algemene en consistente instemming kan zijn aangaande de godsvoorstelling op zich. In zoverre men de psychologische singulariteit onder ogen neemt waarin elk individu zijn verhouding tot het religieus-goddelijke beleeft, moet men de waarheid respecteren van het feit dat in deze zin inderdaad elkeen “zijn God” aanhangt die “bekleed” is met psychologisch singuliere motieven, verlangens, verbeelding en persoonlijke geschiedenis. In dit opzicht geldt ten volle het gevleugelde gezegde van de reeds geciteerde godsdienstpsycholoog Antoon Vergote: “In de religie is alles psychologisch doch de psychologie is niet alles.” (Moderniteit en Christendom. Gesprek in Vrijheid en Respect. Tielt, Lannoo,1999, p. 106)

De bewering “alle mensen hun God” vanuit, anderzijds, objectief, redelijk oogpunt beschouwd, d.w.z. met betrekking tot de inhoud van ieders godsvoorstelling op zich, is bij nader inzien geheel confuus. Zo kan men tegenwoordig vanuit dit oogpunt het “alle mensen hun God” op een meest triviaal niveau ingevuld zien met banale voorstellingen die afkomstig zijn uit de onmiddellijkheid van een louter zintuiglijk leven. De sterrenchef van de haute cuisine, de popster van het festival, sportsterren uit het stadion, fimsterren uit de cinema etc. zijn voor idool-gevoelige tijdgenoten goden waarmee een hele ondermaanse sterrenhemel wordt bevolkt. Het heeft er trouwens somtijds alle schijn van dat vele van deze ster-opvoeringen als pseudo-religieuze gebeurtenissen worden beleefd, – als ware het antiek-Griekse polytheïsme tot ondermaans theater gebanaliseerd.

Minder banaal maar niettemin bedenkelijk zijn ieders eigen denkcreaties die het woord God gebruiken voor alles wat naar believen “absoluut” te maken is. Alzo wordt God door de een vereenzelvigd met “de Liefde”, door een ander met “het Leven”, door nog een ander met “het Sublieme” (van een natuurervaring bijvoorbeeld), door een volgende met “het Geweten”, door nog een volgende met “ l’élan vital” (à la Bergson), door de proces-denkers van tegenwoordig met “de Creativiteit” van een alomvattend kosmisch proces van wording, etc. Op dit alvast meer intellectueel niveau geldt het gezegde “alle mensen hun God” in overeenstemming met de agnostische hang naar onbeslist- en onbepaaldheid die moderne mensen in deze zaken in de ban houdt. Vergote drukt dit treffend uit als volgt: “In het moderne agnosticisme is er inderdaad een soort van religieuze zin zonder religie en zonder God.” (id., p. 193) Een “soort van religieuze zin” hecht zich inderdaad aan een veelheid van voorstellingen van Absoluutheid waarin de moderne mens zijn autonomie gevrijwaard voelt. Alsof de geloofsstap in de richting van de ene “ware God” een te grote beproeving zou zijn voor deze autonomie, houdt de moderne mens zich liever op in de schemerzone van hetgeen hij naar goeddunken als Absoluut aanziet. “Ieder zijn God” betekent in deze agnostische context eerder “ieder zijn Absoluutheid”, c.q. “ieder zijn waarheid”. Op de breuklijn tussen modern agnosticisme (dat enkel gestalten van naamloze Absoluutheid toelaat) en Openbaringswaarheid (die door christenen in een geloofsact erkend wordt door de ene ware God te zijn meegedeeld), bevindt zich de typische aarzeling van de moderne mens: ofwel zich aan zijn autonomie hechten die hij meent zelfverzekerd in de hand te hebben, ofwel zich toevertrouwen aan (de boodschap van) een God die de mens aanspreekt vanuit de overzijde van zijn eindigheid. Vergote stelt dienaangaande: “Het valt niet te betwisten dat het agnosticisme een voor de moderniteit kenmerkende positie is; die positie is a-theïstisch: zij heeft zich losgemaakt van de goden zonder zich te verbinden met de God die zich heeft geopenbaard.” (id., p. 195)

Een verhaal over verwachting en hoop 

Op diezelfde breuklijn – en als gevolg van de aangehaalde aarzeling – installeert zich tevens de zeer herkenbare twijfelmoedigheid van tijdgenoten als het over toekomst-uitzicht-levensbestemming gaat. De zelfverzekerde rationalist leeft van verwachtingen die hij zich voorstelt zelf te kunnen waarmaken vanuit de vooropstelling van maakbaarheid en technische dominantie, ook al wordt dit utopische verwachtingspatroon geregeld en brutaal gestoord (9/11, eco-crisis, burn outs, etc.). In de grond levert geen enkele gestalte van naamloze Absoluutheid, spijts zijn gevrijwaarde autonomie, aan de moderne mens een “principe van hoop” (E. Bloch). Daarvoor is zijn hang naar zelfbezit te groot. Een verwachtings-mens zit altijd gekneld tussen vertwijfeling (anticipatie van niet-vervulling) en overmoed (anticipatie van vervulling) (naar een observatie van Josef Piper, Über die Hoffnung, Einsiedeln, Johannes Verlag, 2012²). Manifesteert zich deze beklemming inderdaad niet heel herkenbaar in hedendaagse collectieve uitingen van defaitisme of pessimisme die gecompenseerd worden door wereldvlucht (in drugs bijvoorbeeld) en extatische roes of saturday night fever? Anders dan verwachting neemt de hoop haar principe in een toegesproken belofte: “Ik zal met u zijn, tot aan het einde van de tijd.” Een mens van hoop – hoop die haar voorwerp vindt in religieus godsgeloof – zal door elke beklemming heen een verankering voor zijn levensbestemming erkennen in de trouw die uit Gods omgang met zijn volk door vele “gebeurtenissen” heen is manifest geworden.

En wie weet wordt het Virga Jesse-gebeuren van Hasselt de creatieve context waarin “gebeurlijk” originele gave-momenten van zin, goedheid, schoonheid langs het spoor van een Mysterie naar mij toekomen en die me verder dan enige gestalte van naamloze Absoluutheid aan God doen denken. Dit zal dan de levende God zijn, een absolute Aanwezigheid die zich meerstemmig aanmeldt in alles wat een menselijk bewustzijnsleven op ervaringsmomenten van gegeven zin animeert en telkens vernieuwt. Als dat “gebeurt” zal Maria, de Virga Jesse, door alle paradox en crisis en beklemming heen, opnieuw als “bron van hoop” gekend zijn.

Prof. Em. Dr. Martin Moors

Hoger Instituut voor Wijsbegeerte

KULeuven

april 2017